Deze spelregels geven
misschien niet in alle
gevallen, die in een
minipolo wedstrijd kunnen
voorkomen, een duidelijke
oplossing. Daarom moet er
steeds van worden uitgegaan,
dat de “gewone”
waterpolospelregels van de
KNZB eigenlijk ook voor
minipolo gelden, met
uitzondering van een aantal
gevallen die in deze
minipolo spelregels
uitdrukkelijk beschreven
staan.
De pupillen I groep bestaat
uit kinderen van 11 jaar en
jonger; in het jaar waarin
je twaalf wordt mag je
daarom niet meer deelnemen
aan de pupillencompetitie.
De teams bij minipolo:
Minipolo wordt gespeeld door
twee teams, die bestaan uit
vier veldspelers en één
keeper. Er liggen bij elkaar
dus tien kinderen (twee
teams van vijf) in het
water. Ieder team mag ook
nog eens vijf wisselspelers
hebben; een team bestaat dus
uit niet meer dan tien
spelers of speelsters. De
wisselspelers nemen plaats
op de bank ter hoogte van
het terugkomvak. De twee
teams zijn van elkaar te
onderscheiden door de caps:
één team speelt met witte
caps (de keeper heeft een
rode), het andere team heeft
caps van een afwijkende
kleur (meestal donkerblauw
of zwart, maar het mag ook
een andere kleur zijn).
Het is natuurlijk mogelijk
dat jongens en meisjes samen
in één team uitkomen, maar
de KNZB is er voorstander
van, dat voor jongens en
meisjes eigen teams voor de
competitie worden opgegeven.
De teams worden begeleid
door een coach. De coach
zit/staat bij de spelersbank
en mag bij balbezit meelopen
tot de middellijn.
Het spel minipolo:
Het is de bedoeling dat de
teams al samenspelend
proberen doelpunten te maken
in het doel van de
tegenstander. Aan het begin
van de wedstrijd werpt de
scheidsrechter de bal op de
middenlijn vlak uit de kant
in het water; de teams
proberen dan vanaf hun eigen
doellijn zo snel mogelijk
bij de bal te zijn om die in
bezit te krijgen.
Is een doelpunt gescoord,
dan moeten alle spelers
terug naar hun eigen helft
(aan de kant van hun eigen
keeper) en mag de partij die
een tegendoelpunt heeft
gehad de bal midden uit
nemen. De bal wordt daarbij
achteruit naar een speler op
de eigen helft gegooid en
het spel gaat weer beginnen.
De ploeg die in een
wedstrijd de meeste
doelpunten maakt is
natuurlijk de winnaar van de
wedstrijd. Zo’n wedstrijd
duurt voor de pupillen I
groep vier perioden van 3
minuten netto. Dat betekent
dat alleen de tijd wordt
meegeteld dat er ook echt
gespeeld wordt, en niet de
tijd dat de bal bijvoorbeeld
buiten het speelveld is
geraakt.
Het speelveld:
Het speelveld bij minipolo
is 20 meter lang en minstens
10 meter breed. Breder mag
ook, maar weer niet breder
dan 15 meter. Het speelveld
moet uitgelegd zijn in het
diepe gedeelte van het
zwembad, zodat de spelers
niet kunnen staan of
afzetten van de bodem. Het
kan zijn dat de buitenkant
van het speelveld wordt
begrensd door de wand van
het bad, maar het kan ook
zijn dat die wordt
aangegeven door lijnen. De
achterkant van het speelveld
(achter de doelen) wordt
aangegeven door de
doellijnen, de zijkant door
de zijlijnen. Tegenover de
kant waar de scheidsrechter
loopt is op de doellijn het
terugkomvak (zie de tekening
van het speelveld). Vanaf
deze plaats moet een speler
worden gewisseld, met ui
tzondering van een wissel na
een doelpunt of tussen twee
perioden van een wedstrijd.
Het doel waarin de keeper
moet proberen de ballen
tegen te houden is 90
centimeter hoog en 2 meter
breed.
De bal waarmee wordt
gespeeld is voor de pupillen
I groep, in tegenstelling
tot pupillen II en III, die
met een speciale groene
minipolobal spelen, de
damesbal.
|
|
|
rood |
speelveldbegrenzing
doellijn (wit)
2 meterlijn (rood)
4 meterlijn (geel)
middellijn (wit)
4 meterlijn (geel)
2 meterlijn (rood)
doellijn (wit)
speelveldbegrenzing |
|
|
|
|
|
tussen de doelpalen
2
m
|
|
|
|
breedte 10 – 15
meter
lengte 20 meter
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
terugkomvak (rood)
De spelleiding:
Het spel wordt geleid door
een scheidsrechter; dat is
iemand die de regels van
minipolo goed kent, maar
bovendien wel eens een
aanwijzing kan geven aan de
spelers of aan de coach als
dat nodig is. Als een
spelregel door een speler
niet goed wordt begrepen,
kan de scheidsrechter uitleg
geven. Dat doet hij alleen,
als de spelsituatie daar de
mogelijkheid toe biedt. De
scheidsrechter moet ervoor
zorgen, dat een wedstrijd
goed en ook eerlijk
verloopt.
De scheidsrechter maakt zijn
beslissingen kenbaar door
een fluitsignaal en
armgebaren. Bij een vrije
worp wijst de scheidsrechter
in de richting van de aanval
van de ploeg, die de vrije
worp krijgt. Bij een
doelpunt wijst de
scheidsrechter naar het
midden van het speelveld.
Bij een hoekworp wijst de
scheidsrechter als bij een
vrije worp met één arm, en
naar de plaats waar de
hoekworp moet worden genomen
met de andere arm, om aan te
geven dat het een twee meter
worp is. Als er een speler
uit het speelveld wordt
gestuurd stuurt de
scheidsrechter deze met een
armgebaar naar het
terugkomvak.
Belangrijke spelregels:
1) Spelers
mogen voortdurend tijdens de
wedstrijd worden gewisseld:
als de speler die moet
worden gewisseld bij het
terugkomvak aangekomen is,
mag de andere speler het
veld in. Daarbij mag door
geen van beiden de doellijn
worden opgetild. Bovendien
mogen de spelers worden
gewisseld na een doelpunt en
tussen twee perioden. Dan
hoeft dat niet via het
terugkomvak; ze mogen gewoon
bij de coach of waar ze dat
willen in het veld springen,
voordat de scheidsrechter
heeft gefloten voor het
herbegin van de wedstrijd.
2) De
keepers mogen niet over de
middenlijn, ze kunnen wel
een doelpunt maken door
vanaf eigen helft te
schieten.
3) Bij
het begin van een wedstrijd
en van een periode liggen de
spelers achter de doellijn.
Op het signaal van de
scheidsrechter mogen de
spelers het speelveld in
zwemmen.
4)
Een
doelpunt zit als de bal
tussen palen en onder de lat
de doellijn helemaal is
gepasseerd. De bal moet na
het uitzwemmen door twee
spelers zijn gespeeld
voordat er gescoord kan
worden. Je kunt met elk
lichaamsdeel scoren, met
uitzondering van de gebalde
vuist.
5) Na
een doelpunt wordt de bal
midden uit genomen. Dit
betekent dat alle spelers op
hun eigen helft (aan de kant
van hun eigen keeper) moeten
liggen en dat de bal vanaf
de middenlijn achteruit
wordt gespeeld, nadat de
scheidsrechter hiervoor door
een fluitsignaal toestemming
heeft gegeven.
6) Als
een bal de doellijn passeert
buiten het doel, geeft de
scheidsrechter een doelworp
of een hoekworp. Een
doelworp wordt gegeven als
de bal het laatst is geraakt
door een speler van de
aanvallende partij (die
bijvoorbeeld naast het doel
heeft geschoten).
Een doelworp moet door de
keeper worden genomen van
een plek binnen het twee
meter gebied.
Een hoekworp wordt gegeven
als de bal het laatst is
geraakt door een speler van
de verdedigende partij
(bijvoorbeeld een keeper of
een verdediger die een
geschoten bal naast het doel
tikt).
Een hoekworp moet worden
genomen vanaf de twee
meterlijn aan de zijkant
van het speelveld waar de
bal over de doellijn is
gegaan.
7) Soms
geeft de scheidsrechter een
neutrale inworp; dat geeft
hij aan door met gebalde
vuisten twee duimen op te
steken. De neutrale inworp
wordt gegeven als eigenlijk
allebei de ploegen evenveel
recht hebben op de bal.
Daarom werpt de
scheidsrechter de bal
“onpartijdig” in het water
en mogen twee aangewezen
spelers proberen de bal te
pakken te krijgen.
De neutrale inworp wordt
bijvoorbeeld gegeven als
twee spelers van beide
parijen gelijktijdig een
overtreding maken, of als de
bal het plafond van het
zwembad of een duikplank
raakt.
8) Een
vrije worp wordt door de
scheidsrechter gegeven nadat
een gewone overtreding is
gemaakt. Een gewone
overtreding is anders dan
een zware overtreding. Een
vrije worp mag door iedere
speler worden genomen op de
plek waar de overtreding is
gemaakt, of een plaats
dichter bij de eigen keeper.
Uit een vrije worp kan bij
minipolo nooit rechtstreeks
worden gescoord. Daarvoor
moet de bal eerst naar
minstens één andere speler
worden overgespeeld. Een
vrije worp die in de aanval
binnen de twee meter lijn
wordt verdiend moet op de
twee meter lijn worden
genomen.
Een vrije worp moet door de
ploeg die de worp heeft
gekregen zo snel mogelijk
worden genomen. Als onnodig
wordt getreuzeld, kan de
scheidsrechter de vrije worp
aan de andere ploeg geven.
Dat betekent ook dat de
speler die het dichtst bij
de bal is de vrije worp
meestal het beste kan nemen.
Een speler mag een vrije
worp ook nemen door de bal
voor zichzelf op het water
of op de hand te gooien.
Maar zoals gezegd kan hij
dan niet scoren voordat naar
een ander is overgespeeld.
De tegenstanders mogen het
nemen van een vrije worp
niet opzettelijk hinderen.
Als ze dat toch doen is dat
een zware fout.
Gewone fouten:
Een gewone fout is een
overtreding van de
spelregels die wordt
bestraft met een vrije worp.
Gewone fouten zijn:
·
Te
vroeg uitzwemmen bij het
begin van een periode. De
vrije worp word dan gegeven
aan de tegenpartij op de
middellijn.
·
Het
gebruik maken van de bodem
om de bal te pakken te
krijgen. Dit geld niet voor
de keeper binnen z’n eigen
vier meter gebied.